Dagdenksels

Overpeinzingen van een doorsnee Hollander.

Archief voor de maand “augustus, 2015”

Warm

Warm. Heel warm.
Waar? In de sauna. Dus vandaag geen foto’s.
Vinden ze niet leuk als je die maakt. Begrijpelijk.
Gisteren heb ik er zitten zweten. Heerlijk.
Een dagje ” verstand op NUL”.
Beetje mensen kijken. Discreet uiteraard.
Maar kijken doe je.
En dan zie je wat de zwaartekracht doet met het menselijk lichaam.
Billen, buiken en borsten hangen.
Piemels ook. Gelukkig.
Al dat naakt wordt snel blootgewoon.
Lichamelijk ben ik geen uitzondering.
En toch kijk ik graag naar mijn naakte medemens.
Man of vrouw maakt me niet eens zoveel uit.
Uiteraard, ik heb een voorkeur, maar een goed gebouwde man is ook niet erg om te zien.
Borsten. Die vind ik het mooist. Vrouwenborsten.
Groot, klein, jong, oud, strak, slap.
Elke borst heeft zo haar eigen charme.
Elk lijf zo zijn eigen charme.
Elk mens zijn / haar eigen charme.
Wees er trots op.
Doe ik ook.
Maar bloot slaat dood.
Je went er zo snel aan.
Goed gekleed gaat uit.
Is vaak mooier / interessanter dan helemaal niks.
In stoomcabines zie je niet veel.
Moet je bijna op de tast… Ook link.
Wel erg lekker.
Zweet gutst uit de poriën.
Regelmatig en gerust veel drinken.
Anders droog je ernstig uit.
Eindigt de dag met hoofdpijn.
En na zo’n dag relaxen slaap je geweldig.
Loom in bed, nagenietend van de beleving.
Morgen weer bijtijds op.
Zware dag voor de boeg.
Weerstand bieden aan de zwaartekracht?
Nah. Laat maar hangen.
Hoort er een beetje bij.

Verplicht…

Ik voel mij een beetje verplicht om weer eens een stukje te schrijven.    Het is al lang genoeg stil geweest.

Deel ik met jullie mijn liefde voor Paultje.
Paultje en het paarse krijtje werd in 1955 geschreven en getekend door de Amerikaan, Crockett Johnson. In 1958 werd het boekje vertaald door Annie M.G. Schmidt.

Ik kreeg het boekje in 1967 van een studiegenoot van mijn vader.        Ik ging het ziekenhuis in voor een hartoperatie.

Klein mannetje in grote, vreemde, “boze” wereld.


Bij het inchecken, of hoe het ook mag heten, werd een polaroid gemaakt voor het archief.

De eerste foto mislukte. Niet scherp genoeg.

Mijn ouders kregen hem mee, als souvenir.

Misschien de laatste foto van hun jochie.

Wist ik veel.

Werd door mijn ouders daar achtergelaten. Logeren bij de zustertjes.

Klinkt me nu wellicht als muziek in de oren maar toen was het een nachtmerrie die uitkwam.

Na een paar dagen gevuld met onderzoeken volgde de operatie.

Na enige tijd lag ik in een grote zaal met weinig bedden.

Aan bed gekluisterd door infusen, snoertjes en slangetjes.

Maximale eenzaamheid.

Maar ik had altijd Paultje bij me.

Paultje had een paars krijtje.

Alles wat hij nodig had tekende hij.

Hij kreeg honger. Tekende een taart en had te eten.

Paultje verdwaalde. Hij tekende een weg en ging op pad.

Heerlijke fantasie waarin ik wegdroomde.

Weg van de kille werkelijkheid.

Het was 1967.

Niks cliniclowns.

Een lijfje vol hechtingen.

Het boekje viel van bed. Zo op de grond.

Ik er overmoedig achteraan.

De hechtingen trokken me krom.

Zat in mijn blootje, gekromd als een poepende hond op de grond. Het boekje in mijn handen geklemd.

De snoertjes schoten los. Het infuus viel om. Paniek in de tent.

De consternatie ging langs me heen.

Ik had Paultje weer bij me. Ik was niet meer alleen.
Iedereen zou een Paultje moeten hebben.

Berichtnavigatie