Dagdenksels

Overpeinzingen van een doorsnee Hollander.

SinteMaarten

Gisteravond was het weer zo ver.
Sint Maarten.
Iets met folklore traditie dinges.
Als je er naar Googelt kom je bij Wikipedia.
Een grondig antwoord op Sint Maarten vragen

SintMaarten.

Yep, ik ben te lui om het hele epistel over te typen. Klik effe lekker zelf.
De link opent (hopelijk) op een nieuw tabblad.
Tjonge, ik klink al aardig technisch.

Genoeg gelachen.
Dit jaar ben ik straal vergeten om snoepgoed te kopen.
Dat is erg.  Een zulks kan leiden tot reputatieverlies.
Toen we nog in Bussum woonden waren we niet bekend met het fenomeen “St.Maarten”.
Iets met een eiland of zo?  Dat wist ik nog wel.  Maar een feest? Nee.
De folklore was ons volstrekt onbekend.
Onze eerste elfde november in Almere was meteen raak.
Een tsunami van galmende kindertjes trok aan onze deur voorbij.
En daar wij niet meer hadden dan twee pakken speculaas deelden we in paniek maar de koekjes uit aan de ontevreden kijkende kotertjes.
“Heb ik daarvoor nou staan zingen?” zag je ze denken.
Verontschuldigen hielp niet echt.
Het heeft een paar jaargangen Sint Maarten en kilo’s snoep gekost om het respect bij de jeugd terug te winnen.

Ik heb dit weekend dienst.
Dat houdt in dat ik op de twee teckeltjes pas.
Altijd fijn als mijn twee hooligans over de vloer zijn.
Klein minpuntje; Als de bel gaat breekt de pleuris uit.
Max & Joost zetten het op een blaffen alsof ze gestolen worden.
Nou kan je op een avond als gister het nodige bezoek verwachten.
Kindertjes die “zingend” je wat snoep afhandig maken.
Ik koerste dus regelrecht af op een reputationele ramp.
Een ontwijkende aktie was nodig.
De auto was elders geparkeerd, het licht gedimd, en de deurbel onklaar gemaakt.
Ik lag met twee honden, onder een plaid, op de bank, uit het zicht.
Op de achtergrond speelde zachtjes de radio.
Het liep allemaal gesmeerd.  Een snoep-gezangloze avond zou het worden.
Ik hoorde wel het gestommel van de jeugd bij de buren, het gefrommel aan de bel.
Dit songfestival bleef ons bespaard.   Niets kon er nog mis gaan.

Ik moet uit.” gaf Joost mij aan.

De twee Tukkels hebben oersterke blazen.
Ze kunnen het wonderbaarlijk lang ophouden en, eenmaal buiten, vaak en veel plassen.
Maar, als ze moeten dan moeten ze. En bij voorkeur nu.

Dus, met de moed der wanhoop, lichten aan, schoenen en jas aan.
Honden aangelijnd en voordeur geopend.

Daar deinsde een horde van zes, niet al te muzikale, kotertjes achteruit.
Ze hadden nog niet eens aangebeld.
De kleintjes vergaten te zingen; deels van verbazing waarom die deur nou zonder aanbellen open ging, als mede uit angstig respect voor de twee hondjes.
De Tukkels hielden zich verrassend stil ondanks de meute vreemd volk voor hun deur.
Op de stoep een verzameling ouders die hun kroost begeleidde. “Toe maar. Zing maar.”
Een klein meisje keek anderhalve meter omhoog en vroeg me: “Mag ik ‘m aaien?”
Max is bijna helemaal blind en zou kunnen schrikken van haar goede bedoelingen dus heb ik liever dat ze Joost aaien. Joost is ook iets socialer.
“Aai die bruine maar eventjes.” antwoordde ik het kind.
Max was er maar gaan bij zitten. Het boeide hem kennelijk niet zo.
Joost kwispelde en likte even het kinderhandje dat zijn rug streelde.
“Hij geeft me een kusje.” glunderde het kind.
Toen zetten drie van de vijf wachtenden een lied in.
Het zou gescheeld hebben als ze hetzelfde lied hadden gezongen, maar het gebrek aan talent en opleiding in de schone kunsten werd geheel gecompenseerd door jeugdige inzet en een volhardend geloof in eigen kunnen.
Joost was via de nog openstaande voordeur maar even naar binnen geglipt en zat op de mat alles met een licht wantrouwen af te wachten.
Tegen het eind van het lied kweelden de zes keeltjes naar hartelust.

Paniek sloeg bij me in als de bliksem in een natte boom.
Ik heb geen snoep. Niets. Zelfs geen speculaasjes.
Het lied was uit. Het koortje verstomde.
Zes smoeltjes keken me verwachtingsvol aan.
Maar zoals altijd; als de nood het hoogst is…

Een klein jongetje kon de spanning niet meer aan en begon met zijn lampion te zwaaien.
Mooi gezicht.  Niet verstandig maar wel een mooi gezicht.
Zijn ouders hadden hem niet afgescheept met een modern gevalletje koudlicht-ledjes.
Nee, een echt originele lampion met een kaarsje. Ja, dat waait soms uit maar dan steekt papa dat weer aan en dan wordt het toch nog gezellig.
Je moet er alleen niet hard mee gaan zwaaien.
En jawel. Daar bleek de lampion zomogelijk nog brandbaarder dan het kaarsje.
Een forse steekvlam en het geschrokken kereltje stond te beteuteren met slechts een stokje in zijn hand.  Als een dirigentje zonder orkest.
Flarden brandende lampion vielen op de grond en de kinderen schoten alle kanten op, twee tasjes met snoepgoed achterlatend tussen de vlammende vlokken.
Max was maar even gaan liggen en Joost aanschouwde het tumult vanaf de deurmat.
Een jonge vader met een restje geldingsdrang schoot te hulp.
Uit de milde paniek in zijn ogen maakte ik op dat dit zijn eerste fik moest zijn.
Hij leek me zo’n type “bak water in brandende frituurpan”.
Ik vond hem dan ook iets enger dan de restjes lampion.
“Uittrappen!” brulde de held op een toon waarmee hij wilde doen geloven dat hij alles onder controle had. Vanaf de stoep werd hij gade geslagen door de zangkindertjes, meegelopen ouders en zijn aanstaande ex.
Prachtig hoe onze held, niet alleen de brandende lampionresten vertrapte, maar ook twee zakjes snoepgoed onder zijn zolen verpulpte.
Tot mijn genoegen zag ik hoe de laatste lampionsnippers weerstand wisten te bieden en een vlammetje deden overslaan op de blijkbaar ook brandbare broek.
Kleine blauwegele vlammetjes likten zich een weg omhoog langs het pluizig oppervlak van de stof.
“Broek uit!” riep een moeder vanaf de stoep. Dit tot genoegen van de omstanders en tot ergernis van de aanstaande ex. De kindertjes juichten. Het zag er best feestelijk uit.
De broek zelf brandde niet. Het was alleen het oppervlak van de stof.
De held maakte een merkwaardig dansje en liet van schrik wat lopen.
Daar konden de vlammetjes niet tegenop en zo doofde het vreugdig vuurtje vroegtijdig.
Direkt snelde de held weg. Naar huis, op zoek naar verschoning.
Het kinderkoortje trok teleurgesteld weg, richting een volgend publiek.
Het lampionloze knaapje was al snel getroost met een reservelampion.
Ik zwaaide de kinders uit en riep ze na: “Tot volgend jaar.”
“Dag hoor.” Riep de aanstaande ex terwijl ze kort naar me zwaaide.

Op mijn stoep lagen nog wat geblakerde stukjes lampion en twee tasjes snoepgoed waarop gewandeld leek te zijn.
Een merkwaardige stilte viel in de straat.
Joost schuifelde langzaam naar buiten, richting grasveld.
Max stond op en schuifelde achter hem aan.
Moeder natuur riep.

En als moeder roept dan geeft een Tukkel daar gehoor aan.

IMG_1187

Enkel berichtnavigatie

Een gedachte over “SinteMaarten

  1. MichCapich's avatarMichCapich op schreef:

    Dit meemaken, dit ondergaan en toch dit zo kunnen schrijven. Dirk… Bravo! Encore! Encore!

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.