Race
Ik race zelden.
En als ik race is dat nooit tegen iemand anders.
En al helemaal niet op de openbare weg tenzij deze speciaal daarvoor is afgezet.
(Al is die weg dan niet meer zo openbaar. Maar goed.)

Ergens in april zal de achtste trappenloop plaatsvinden.
In het WTC Almere.
Ik kijk er naar uit en tegenop.
600 treden.
30 verdiepingen.
Wat bezielt een mens?
Al zeven keer gezocht naar het antwoord op deze vraag.
En steeds weer sta je voor de start te popelen om te gaan.
Wetend dat er maar één persoon tegen wie je loopt.
Eén persoon die je echt tegen zult komen.
Eén persoon van wie je echt kan verliezen.
Voor de start nog even een kiekje

Ja joh. Doe maar stoer. Ik spreek je over een kwartiertje wel.

Om de halve minuut vertrekt een loper, aangemoedigd door toegestroomd publiek.
Eerst een klein stukje buiten het gebouw, richting de parkeergarage.

Dan de parkeergarage in.
4 verdiepingen naar beneden.
Dat gaat lekker. Ik ga als een speer.
“Rustig Dirk, rustig” hoor ik mezelf denken.
En dan begint de ellende. Het trappenhuis.
Na 4 verdiepingen kom ik op de begane grond aan in de grote hal van het WTC.

Onbekenden moedigen me aan.. Het daast me nu al. Ik grijns en zwaai.
Het oogt allemaal makkelijk, luchtig en sportief maar ik ben nu al moe.
“Rustig Dirk, rustig”

Op naar de rest van het trappenhuis in.
Nog 26 verdiepingen. Waar ben ik aan begonnen?
In het trappenhuis is verrekte weinig te zien.
Om de zoveel verdiepingen een paar EHBO-ers die paraat staan voor noodgevallen.
Ze houden bij welke lopers langskomen. Zo weten ze ook of er uitvallers zijn.
Ik groet ze altijd vriendelijk voorzover mijn ademhaling dit nog toestaat.
Ik hoor stemmen. Geluid van een klikkende camera.
Ik trek mijn “ik ben nog best fris” gezicht.

Achter me hoor ik de volgende loper al weer dichterbij komen en ik maak ruimte
zodat deze er ongehinderd lang kan. Enkelen hijgen er soms een kort “Dank je wel” uit.
Ik ben ondertussen mijn naam al kwijt.
Mijn luchtpijp staat in de fik en het zweet gutst uit al mijn poriën.
Ik moet denken aan Erben Wennemars die, tijdens een adempauze in een training verzuchtte: “God! Wat een gemartel!”
Op de grond een printje met aanmoediging er op. Aardig van ze.

Halverwege?! Dat meen je niet!
Boven komen. Is dat het doel? Doorgaan.
Op elke verdieping heel even je rust nemen.
Even aan de kant voor de volgende loper die er langs wil.
Ik weet dat de snelsten binnen 4 minuten boven zullen zijn.
Ik weet dat de brandweerlieden in bluspak met ademlucht bijna allemaal sneller zullen zijn dan Dirk. Bikkels zijn het.
Gezegend allemaal. Ik ben er in ongeveer 12 minuten. Hoop ik.
De benen willen wel maar het lijkt wel alsof ik niks adem. Lucht tekort. Rust.
Een EHBO-er, blij dat hij eindelijk mijn startnummer kan afstrepen op zijn lijst,
vraagt of het wel goed met me gaat. “Oh ja. Prima. Ik ga als een speer.”
Wonderlijk dat hij het gehijgde antwoord nog verstond.
“Zet ‘m op. Nog even. En doe voorzichtig.” Roept hij me na.
Tranen of zweet. Ik weet het niet. Het stroomt van mijn gezicht.
Hoe diep kan een mens gaan. Hoeveel kan mijn lijf nog aan.
Had ik niet een normale hobby kunnen kiezen? Iets leuks met een orgeltje of zo.
Alles bonkt, dampt, kraakt, piept, steunt.
Altijd bang dat een reparatieplekje van binnen toch nog loslaat.
De geest begint tegen te werken.
Jezelf tegenkomen. Zo voelt dat dus.
“Hallo, ik ben Dirk, geloof ik.” “Aangenaam. Zie je er altijd zo beroerd uit?”
Nu begint de echte strijd.
Die trappen zijn te doen. De droge lucht. De verzurende benen.
Maar het brein gaat dolen. Begint kritische vragen te stellen.
Vragen over nut en noodzaak van deze zelfkwelling.
Mijn lijf begint het eens te zijn met de mentale oppositie.
“Ze hebben een lift in dit gebouw, hoor!”
Proef ik nou bloed of zo? Even slokje water.
Eerst op adem komen. Hoewel, ik moet wel voor sluitingstijd boven zijn.
Zou er een tijdslimiet op staan? Moet ik zo het licht uitdoen?
Of gaat het licht bij mij uit?
Een volgende loper passert mij. “Mooie schoenen.” Denk ik nog.
Moet ik nog boodschappen…?
Hoever is het nog? Komt er wat leuks op TV? Welke dag is het vandaag?
Loper komt er langs. Brandhaspel aan de muur.
EHB-dinges. “Hoi!”
Wat bezielde me dat ik hiervoor zelfs betaald heb.
Een dame in organisatieoutfit moedigt me aan.

Nog 5 verdiepingen. Hoeveel heb ik dan al..?
Hoeveel treden zijn dat?
5 x 15 is 70. Nee 60, nee 75. Ja. Zoiets.
Ik tel de treden af. Tree voor tree.
Na 40 ben ik de tel kwijt en zakt de moed me in de afgeragde schoenen.
Ik hoor het tumult aan de finish.
Nog 4 treden, gangetje, bovenste verdieping met finish.

Laatste poging om op hardloper te lijken.

Applaus klinkt als ik de hal in “ren”.
Ren? Klunen! Dat is het eigenlijk.
De electronische tijdwaarmening piept mijn eindtijd naar de computer.
Een jonge vrijwilligster hangt me een medaille om en feliciteert me.
Op de grond liggen atleten. Hijgend. Kapot. Gesloopt.
Hun gespierde lijven bezweet op de plavuizen vloer.
Helemaal de weg kwijt. ( Gewoon de trap op toch?)
Ik loop over de verdieping en kan door de grote ramen uitkijken over Flevoland.
Ik zie de toren bij de dijk bij Lelystad.

De televisitoren bij Hilversum.

Amsterdam.
Het Weerwater.

Onbetaalbaar uitzicht.
Kan mijn eigen huis niet vinden.
Ik weet eigenlijk niet meer waar ik woon.
Ik ga zitten en vraag me af waar dit nou goed voor was.
Even een appje naar thuis. Dat ik nog leef.
Even een selfie. Er verschijnt alweer een lach op het gelaat.

“Boer met kiespijn” Denk ik nog.
Weer stelt het brein kritische vraag. “Waarom Dirk? Waarom?”
Het lijf kritiekt mee. “Wil je dit nooit meer doen!!!”
Nog een rondje langs de ramen en kijken hoe de blusgasten dampend hun helm afzetten.
Nog een slokje om de keel te koelen.
Het zit er weer op. Tijd om naar huis te gaan.
Laatste keer nam ik niet de lift naar beneden omdat deze net weg was.
Met een stel medelopers de trap af.
Gelopen? Nee. Gerend!
Het ging als een speer.
Binnenkort opent de inschrijving weer.
Wetend dat ik me ga inschrijven heb ik op voorhand al spijt.
Erben had al het gelijkst van de wereld. “God! Wat een gemartel!”
Waarom dan toch?
Boven komen is niet het doel.
Boven is de richting.
En uiteindelijk komen we er allemaal.
Boven.
Dirk… Respect!! Niets anders meer dan bodemloze respect. Had ik je wel duidelijk gemaakt, de laatste keer. En weer ga je het doen. Ik hoop en bovenal duim voor je dat het je gewoon weer lukt. Welnee… Het lukt je gewoon! Je hart is de baas en zal je gewoon weer naar de hemelse hoogte brengen. Het is oost Indisch doof voor je overige schreeuwende andere organen. En is dat alles? Nee hoor… Dan ook nog op zo’n leuke manier weten na te vertellen. Nog meer respect! Hoeveel kan ik Dirk dit nog geven? En tenslotte dat het vermoeiend is, is wel duidelijk: na 1,75 jaar uithijgen, dan pas op je blog weten te typen en ook dat is je toch ook maar weer even gelukt! ;-P