Dagdenksels

Overpeinzingen van een doorsnee Hollander.

Wrak

Deze slideshow vereist JavaScript.

Het is niet zomaar een eiland. Texel.
Het is een prachteiland. Ons grootste waddeneiland.
Ik ben er weg van. Verliefd op, zo u wilt.
U zult het kennen als toeristische trekpleister.
Er is voor elk wat wils en het weer is er overwegend mooier dan in de meeste delen van Nederland.

In het noorden van het eiland, vlak bij de beroemde vuurtoren,
ligt De Cocksdorp. Één van de vele pitoreske dorpjes die het eiland rijk is.
Daar, aan de noordoostkant, ligt het gemaal “De Cocksdorp”.
Het is één van de vele gemalen die de polders van Texel droog houden.
Staande op de dijk bij het gemaal kijk je uit over de Waddenzee.

Als ik daar, vroeg in de ochtend, sta is het eb.
Mijn oog valt op een bootje. Het is een sloep of zo, ik heb daar niet zo’n kijk op.
Wel is het me duidelijk dat dit vaartuig zijn langste tijd heeft gehad.

Opgeëist door Neptunus. Gegrepen door de golven. Geclaimd door de modder.

Het zal geen scheepsramp geweest zijn. Geen schipbreuk.
Geen mooie verhalen van helden van de reddingsmaatschappij.
Geen sterke verhalen van de jutters over rijke vondsten op het wad.
Nee, gewoon een klein oud bootje dat zijn langste tijd al heeft gehad.

Het weer is mooi en ik maak een paar foto’s.
Herinneringen voor later.
Zo zal het bootje nooit helemaal wegzinken in diepduistere vergetelheid.

 

Padje

Er wordt gedacht dat ik in de war ben.
Ik krijg ongevraagd deskundige zielenhulp aangeboden.
Ik weet niet waarom.

Ik liep, op mijn werk ik Weesp, in de toegangshal van waaruit je naar de kantoren en de fabriek kunt gaan.
In de hal hangt de electronische prikklok alwaar ik dagelijks mijn aanwezigheid bevestig.
Alsof ik met met werk al niet genoeg sporen van mijn bestaan nalaat.
Ook mijn vertrek geef ik er dagelijks aan.
Pasje er langs en een luide “PIEP” geeft aan dat ik weer even vrij ben.
Ook is er de trap naar boven, tenminste als je beneden staat.
Als je boven staat is het de trap naar beneden.
In de hal is het een komen en gaan van mensen.

En daar hopte opeens een klein zwart bolletje over de tegelvloer.
Roestbruin, bijna zwart. Zag er ook een beetje uit als een klompje aarde.
Duidelijk geen muisje. Muizen zijn grijs en razendsnel.

kermit_big

Vast geen kikker want kikkers zijn groen.
Kijk maar naar Kermit hoewel hij, op zijn beurt, een gek kraagje en bolle witte ogen heeft.
Mijn bolletje zwart niet.
Geen kraagje, alleen kleine zwarte kraaloogjes.
Met zijn dunne pootjes maakte hij kleine sprongetjes.
Een langzame reis over een koude tegelvloer.
Nu is een industriële omgeving niet bepaald geschikt voor reptilia.
Dus is de hal, waar overwerkt voetvolk veelal geen oog zal hebben voor hoppende bolletjes, geen gezonde habitat.
Diervriendelijk als ik ben, besloot ik Padje naar een betere omgeving te brengen.
Oppakken is niet mijn ding. Eerlijk gezegd vind ik het toch een beetje eng of vies.
Ook ben ik bang dat ik Padje te stevig vasthoud en onbedoeld kwetsuren toebreng.
Hou het op een gezonde aversie. We raken elkaar gewoon zo min mogelijk aan.
Een leeg plastic koffiebekertje bood uitkomst.
Padje er in geschept en naar buiten.
Een stuk verderop op het terrein is een grote vijver met veel gras er omheen.

In de vijver woont al jaren een forse schildpad die winterhard blijkt te zijn.
Niet zo’n kunst met de Hollandse winters, maar toch.
Op warme dagen zit Stoffel op een soort loopplankje te zonnebaden.
Padje was het niet zo eens met zijn vervoermiddel en probeerde uit het bekertje te klimmen.
Zijn lange ranke pootjes klauwden langs de te gladde wand van het bekertje.
Hij kwam niet verder en gaf na enige tijd zijn ontsnappingspoging op.

Nu dien ik even toe te lichten dat het bij ons niet toegestaan is om met levensmiddelen in de hand over het terrein te gaan.
De regel zal wel enig nut hebben. Denk ik.
Er viel niet te zien wat er in mijn bekertje zat en al snel werd ik door een collega aangesproken.  Niet dat het hem boeide dat ik koffie bij me zou hebben maar meer om mij de vreemde regel eens stevig in te wrijven.
Ik toonde hem Padje. “Liep bij ons, in de hal”.
Ik kreeg direct goedkeurende ontheffing.
Door, richting de vijver.

De vraag kwam bij me op: “Moet Padje in of naast de vijver?
Kan hij wel zwemmen?
Ik besloot hem aan de rand van de vijver in het gras te zetten.
Kon hij zelf kiezen.
Padje bleek echter snel gewend te zijn aan het bekertje en hij verzette zich heftig tegen de uitzetting uit het tijdelijk onderkomen.
Beetje schudden met het bekertje en met een onhoorbaar plofje kwam hij in het gras terecht.  Hij vouwde zijn ranke pootjes onder zijn lijfje en bleef stil zitten.
Meerdere redenen deden me afzien van een afscheidskusje.
– Ik geloof niet zo in sprookjes tenzij ze uit Den Haag komen.
– Het betrof hier een pad en geen kikker.
– Bovendien, wat moet ik met een wonderschone prins?
Padje zat roerloos in het gras.
Dankbaar? Ik weet het niet. Ik was het in elk geval wel.

Ik besloot weer aan het werk te gaan en stond behoedzaam op.
Toen ik een paar meter van hem verwijderd was draaide ik me om en keek naar de plek waar ik hem achtergelaten had. Ik kon hem uiteraard niet meer zien.
Ik riep hem toe: “Pas je op voor de reiger?!”
Een passerende collega keek me verbaasd aan en vroeg: “Tegen wie praat jij nou? Gaat het wel goed met je, Dirk?”
Ik keek hem tevreden aan en zei: “Ja hoor, ik ben van mijn padje af.”

Kort daarna werd ik benaderd door de eerst hulpverlener…

Verlepsiaas

Ik loop over de stoep.
Op het fietspad naast mij passeert een man op een fiets.
In de fietstas die aan zijn bagagedrager bungelt, zit een bos bloemen.
De bloemen schudden mee met de fiets die trillend over het ongelijke tegelwerk rijdt. Af en toe laat er een bloempje los en zorgt voor een spoor van kleurrijke blaadjes. Hopelijk hoeft hij niet ver meer.
Komt ‘ie thuis met alleen een bosje stelen.
Voor wie zou het bosje zijn?
Voor hemzelf, omdat hij alleen woont en zo zijn mannenhuishouden opvrolijkt?
Voor zijn vrouw, vriendin of vriend? Omdat hij van haar of hem houdt?
Of heeft hij iets goed te maken?  Kan dat dan, met bloemen?
Of gaat hij op visite en wil hij een kleine attentie meenemen voor de gastheer of gastvrouw?
Of hij gaat op ziekenbezoek en wil iets anders geven dan een fruitmand.
Redenen te over om een bosje bloemen aan te schaffen.
Het begint een beetje te regenen.
“Goed zo”, denk ik.
“Hebben de bloemen in elk geval geen dorst.

Lees meer …

Kat

Ach, wat zielig.

Je vraagt het je wel eens af.
“Wat was dat?” Duidend op een stoffelijk overschotje in de berm.
Vaak niet herkenbaar.
Soms min of meer maar dan toch ernstig beschadigd.
Trieste slachtoffertjes van onze welvaart.

Deze week zag ik er weer één.
Een zwarte kat. Zo sneu.
Ik bespaar u de details van de aanblik.

Ik vroeg me af hoe het de “dader” nu verging.
Het brengt toch ongeluk als een zwarte kat je pad kruist?
Met plaatsvervangend schuldgevoel naar de kat, reed ik door.
En gedurende het vervolg van mijn rit kwam onderstaand naar boven.
( Eerlijk gezegd had de kat beter verdiend.)

De kat had negen levens
Wie had dat nou gedacht?
De kat dacht aan onsterfelijk
Toen had hij er nog acht.

De kat had nog acht levens
Hij wilde veel beleven
Teveel, de hond was hem de baas
Toen had hij er nog zeven.

De kat had zeven levens
Sprong voor vrienden op de bres
Zij niet voor hem, dat was heel sneu
Toen had hij er nog zes.

De kat had nog zes levens
Zat lekker in zijn lijf
Behalve bij de dierenarts
Toen had hij er nog vijf.

De kat had nog vijf levens
De deur stond op een kier
Maar door de wind sloeg die plots dicht
Toen had hij er nog vier.

De kat had nog vier levens
Was angstig, maar voor wie?
En toen hij het te weten kwam
had hij er nog maar drie.

De kat had slechts drie levens
Voorzichtig en gedwee
Zo werd het leven hem te saai
Toen had hij er nog twee.

De kat had slechts twee levens
en dacht “straks heb ik geen”.
Met angst vervuld verstreek zijn tijd
Toen had hij er nog één.

De kat had nog één leven
Hij voelde zich een sul
Zijn tijd zinloos aan niets verspeeld
Toen had hij er nog nul.

De kat had echt geen leven
Zoals u al vermoedt
De dierenhemel is heel mooi
Negen levens weer tegoed.

Ik ben geen kat met met negen levens
Mijn tijd zal ook eens komen
Realiseer ik in de tijd die rest
Mijn aller mooiste dromen.

 

( Beetje van Freek, beetje van mezelf.)

 

Liefs,

Dirk

 

Nachtdenksel

Had ik maar problemen om van wakker te liggen,

dan had ik tenminste geen nachtmerries.

 

Geen paniek.

Alles goed met Dirk.

Gewoon wat aan het proberen met woorden.

Spoedig meer dagdenksels.

Dromen (1)

Heerlijk om ze te hebben.
Soms komen ze uit.
Soms komen ze bijna uit
Soms helemaal niet.
En komt een droom uit dan is t’ie voorbij. Mooi geweest.

Ik heb lang gedroomd van een Smart. Altijd verliefd geweest op dit karretje.
Niet omdat het nou zo’n supercar was maar gewoon….
Het hele concept sprak me aan.
Jammer dat Mercedes er zo’n slecht motortje in stopte.
Vaak stuk en vooral reputatieschade aan het merk.
Toen ging er een Japans motortje in en er werd met plezier GeSmart.
En je kon overal keren en parkeren. En, ook dat nog, je zag er goed uit.
(Niet iedereen deelt deze mening.)

Afijn, mijn Smartdroom ging aan de kant.
Je kan  niet alles hebben. Dus ook geen Smart.
En jaren na de berusting komt het toevallig zo uit.
Ik had mijn Smart.
IMG_0228IMG_0230
Bijna per ongeluk. Ik zocht alleen op “prijs”, “leeftijd” en “kilometers”.
En zo kwam onverwacht een droom uit.

Maar alles is relatief. Niets is eeuwig.
Ondanks het voornemen om nooit meer anders…
Rijden in een droom.  Het was “gewoon lekker”.

En dan komt de tijd van afscheid nemen.
IMG_0891
Niet voor een andere droom.

Gewoon omdat omdat we wakker worden in de realiteit van “gewoon”.
IMG_1111IMG_1114

Ik zal het missen.
Het keren op een postzegel.
Het parkeren in de kleinste kiertjes van de stad.
De schimpende commentaren van de onnozelaars die niet beter weten.
Ja, ik mis mijn droom. ( Dus toch )
Ook al kom ik nu overal waar ik wezen wil. Zonder compromissen.

Is Dirk nu uitgedroomd?

 

IMG_1025

M O C H T    J E    W I L L E N  ! ! !

 

Warm

Warm. Heel warm.
Waar? In de sauna. Dus vandaag geen foto’s.
Vinden ze niet leuk als je die maakt. Begrijpelijk.
Gisteren heb ik er zitten zweten. Heerlijk.
Een dagje ” verstand op NUL”.
Beetje mensen kijken. Discreet uiteraard.
Maar kijken doe je.
En dan zie je wat de zwaartekracht doet met het menselijk lichaam.
Billen, buiken en borsten hangen.
Piemels ook. Gelukkig.
Al dat naakt wordt snel blootgewoon.
Lichamelijk ben ik geen uitzondering.
En toch kijk ik graag naar mijn naakte medemens.
Man of vrouw maakt me niet eens zoveel uit.
Uiteraard, ik heb een voorkeur, maar een goed gebouwde man is ook niet erg om te zien.
Borsten. Die vind ik het mooist. Vrouwenborsten.
Groot, klein, jong, oud, strak, slap.
Elke borst heeft zo haar eigen charme.
Elk lijf zo zijn eigen charme.
Elk mens zijn / haar eigen charme.
Wees er trots op.
Doe ik ook.
Maar bloot slaat dood.
Je went er zo snel aan.
Goed gekleed gaat uit.
Is vaak mooier / interessanter dan helemaal niks.
In stoomcabines zie je niet veel.
Moet je bijna op de tast… Ook link.
Wel erg lekker.
Zweet gutst uit de poriën.
Regelmatig en gerust veel drinken.
Anders droog je ernstig uit.
Eindigt de dag met hoofdpijn.
En na zo’n dag relaxen slaap je geweldig.
Loom in bed, nagenietend van de beleving.
Morgen weer bijtijds op.
Zware dag voor de boeg.
Weerstand bieden aan de zwaartekracht?
Nah. Laat maar hangen.
Hoort er een beetje bij.

Verplicht…

Ik voel mij een beetje verplicht om weer eens een stukje te schrijven.    Het is al lang genoeg stil geweest.

Deel ik met jullie mijn liefde voor Paultje.
Paultje en het paarse krijtje werd in 1955 geschreven en getekend door de Amerikaan, Crockett Johnson. In 1958 werd het boekje vertaald door Annie M.G. Schmidt.

Ik kreeg het boekje in 1967 van een studiegenoot van mijn vader.        Ik ging het ziekenhuis in voor een hartoperatie.

Klein mannetje in grote, vreemde, “boze” wereld.


Bij het inchecken, of hoe het ook mag heten, werd een polaroid gemaakt voor het archief.

De eerste foto mislukte. Niet scherp genoeg.

Mijn ouders kregen hem mee, als souvenir.

Misschien de laatste foto van hun jochie.

Wist ik veel.

Werd door mijn ouders daar achtergelaten. Logeren bij de zustertjes.

Klinkt me nu wellicht als muziek in de oren maar toen was het een nachtmerrie die uitkwam.

Na een paar dagen gevuld met onderzoeken volgde de operatie.

Na enige tijd lag ik in een grote zaal met weinig bedden.

Aan bed gekluisterd door infusen, snoertjes en slangetjes.

Maximale eenzaamheid.

Maar ik had altijd Paultje bij me.

Paultje had een paars krijtje.

Alles wat hij nodig had tekende hij.

Hij kreeg honger. Tekende een taart en had te eten.

Paultje verdwaalde. Hij tekende een weg en ging op pad.

Heerlijke fantasie waarin ik wegdroomde.

Weg van de kille werkelijkheid.

Het was 1967.

Niks cliniclowns.

Een lijfje vol hechtingen.

Het boekje viel van bed. Zo op de grond.

Ik er overmoedig achteraan.

De hechtingen trokken me krom.

Zat in mijn blootje, gekromd als een poepende hond op de grond. Het boekje in mijn handen geklemd.

De snoertjes schoten los. Het infuus viel om. Paniek in de tent.

De consternatie ging langs me heen.

Ik had Paultje weer bij me. Ik was niet meer alleen.
Iedereen zou een Paultje moeten hebben.

Angst (2)

Ik ben niet bang voor de dood.
Hoort er bij.

Een hiernamaals? Ik weet het niet. Ik geloof… Tja, wat eigenlijk?
Is er dan ook een hiervoormaals? Ik denk…

Sterven, daar ben ik bang voor.
Ik ben als de dood dat het pijn doet.
Bang dat ik niet waardig sterf.
Je laatste dagen, weken, maanden.
Wegterend op een bed.
Niet meer in staat tot afscheid nemen.

Afscheid van jou. En van jou. En van jullie.

Dus dat maar even uitgesteld.
Nog even blijven leven.

Vorige zomer had ik een dip.
Een echte. Zo één dat je zwelgt in je eigen ellende.
Lekker op vakantie, toeren door Engeland in een dikke huurauto.

DSCF6039
Nachtje logeren bij een nichtje.
Zou een week moeten duren.   Nou, dat werd ‘m dus niet.
Het was maandag heen en woensdag alweer thuis.
Zo werd het wel lekker goedkoop.

God, wat was ik blij om weer thuis te zijn.
Was het daar dan zoveel leuker? Nee. Daar zat ik mezelf ook in de weg.

Ik moest nadenken over de echte zomervakantie.

Had met een vriend het plan om naar New York te gaan.
Dat hebben we, in het licht van mijn Engeland-debacle, maar even in de koelkast gezet.
Stel je voor dat ik in NYC zo’n bevlieging zou krijgen.
Dan zou zijn vakantie onverwacht ook onverhoopt ingekort worden.
Nee, dat moesten we maar even niet doen.

Maar wat dan?

Als je een beetje hebt teruggebladerd en doorgelezen weet je van het parachutespringen.

Dus, daar hing ik dan.
Bij de tweede sprong, bungelend onder de chute keek ik naar beneden en bedacht dat, als die beenbanden zouden scheuren, ik wel heel diep zou vallen. Bovenop een boerderij.
Daar kwam de angst om te sterven in volle glorie naar boven. Ik wil helemaal niet dood.

Heerlijk om dat te ontdekken als je gedipt hebt.

Het intens verlangen te blijven leven.

Nou ja. Die angst heb ik dus overwonnen. Meerdere malen.
Elke keer weer, doodsangst, peultjes en 7 kleuren str…
En na de sprong steeds weer dat mooie gevoel te willen leven.
Dat voel je pas als het er toe doet.
Kortom, neem wat extra schoon ondergoed mee en doe eens gek.
Wees niet bang om bang te zijn.
Wie geen angst kent kan ook niet moedig zijn.
Moedig ben je pas als je je angst overwint.

Een medeparachutist zei dat hij mij stoer vond.
Hij, zo’n echte man met een woonboerderij, een Harley Davidson, twee blonde rondborstige vriendinnen en een goddelijke torso, vond mij stoer.
Even dacht ik dat hij te hard op de grond terecht gekomen was, tot hij vertelde wat hij bedoelde.
“Ik ben niet bang. Ik spring gewoon. Hup, geen kunst aan.”
“Jij bent bang, elke keer weer en je springt toch.”
“Dat is pas stoer.”

Dus Dirk is stoer.

Weer wat nieuws.

Waar angst al niet toe kan leiden.

IMG_8456

Liefs.

Dirk.

Angst (1)

Yep.
Nieuwe serie.
Over angst.
Grootste angst? De dood. Sterven.
Geldt niet voor iedereen. Lees maar verder.

Hun handen ineen. Zacht maar stevig genoeg om niet de grip op elkaar te verliezen.
Haar duim streelde zachtjes over de rug van zijn hand.
Ze keken elkaar lang aan. Ze ademden kalm in het zelfde ritme.
Vergaten de naargeestige omgeving om hen heen.
„Je ruikt lekker.” zei hij. „Wat is het?”
Kruidnagel?” zei ze met vragende toon terwijl ze een glimlach onderdrukte.
„Amandelolie. Hoeveel liter hebben we daarvan niet versmeerd in die jaren?”
Ouwe viespeuk” grapte ze.
„Is het dan nu zover?” fluisterde hij.
Ze knikte zachtjes maar overtuigend.
Heeft het toch nog ruim 30 jaar geduurd voordat…” sprak ze zacht.
Haar stem brak en een traan rolde over haar gerimpelde wang.
„Toch nog afscheid nemen.” zuchtte hij terwijl hij langs haar heen keek.  „Ik hou van je.”
Hoef je niet te zeggen. Dat weet ik, al 33 jaar lang.
En ik hou van jou. Vanaf het eerste moment tot het laatste.
Er viel een stilte. Niet ongemakkelijk. Gewoon rustig.
Ze keken elkaar lang aan.
Af en toe rolde er een traan over een wang, langzaam naar een glimlachende mond.
17, denk ik.” sprak ze plots.
„17 wat?” Vroeg hij.
Liter. 17  liter kruidnagelolie.” sprak ze hees.
„Amandelolie” fluisterde hij, tegen beter weten in.
Glimlachend keken ze elkaar weer aan terwijl de laatste tijd verstreek.
„Heb je pijn?”
Ja, maar het gaat wel.
„Ben je bang?”
Nee, het is goed zo.”   „Pas jij wel goed op jezelf?
„Net zo goed als jij altijd op mij gepast hebt.”
„Schuif nou maar op. Gaan we nog één keer lepeltjes.”
Laatste keer lepeltjes.” Fluisterde ze.
Een lange stilte volgde.
Waarom heb ik het idee dat ik niet alleen ga?
„Omdat ik met je mee ga en altijd bij je blijf.”
Wat?   Wat ben je van plan?
„ Lig nou maar stil. Ik heb geen plannen meer.”
Ouwe gek. Ik hou van je.
„Ik ook van jou. Ssshhhh.”
Weer volgde een lange stilte. Het ritmisch geluid van het ademen werdt steeds zachter.
“Misschien dat we morgen . . .”
Zijn zin eindigde in een zucht maar werd niet meer gehoord.

Een verpleegster kwam stil de kamer binnnen gelopen.
Ze keek glimlachend naar het stel op het bed.
Haar oog viel op een enveloppe die op het tafeltje lag.
“Zuster” stond er op geschreven.
Ze keek weer naar het stel op het bed.
„Lepeltjes.” Dacht ze hardop, ontroerd door de lieflijke aanblik.
Pas toen viel de stilte haar op maar was er niet door verrast.
Even gleed de glimlach wat van haar gezicht en ze keek bedachtzaam de kamer rond.
Toen zag ze de lege stripjes van de slaaptabletten in de wastafel liggen.
Ze haalde stil de kaart uit de enveloppe.
In een mooi sierlijk handschrift stond er geschreven: “Dank je wel.”
Ze glimlachte weer en fluisterde: “Graag gedaan.”

 

 

Berichtnavigatie